Tussen sociaal beleid en uitsluitingsrisico: de oudere Spanjaarden in Nederland H4-5

TUSSEN SOCIAAL BELEID EN UITSLUITINGSRISICO: DE OUDERE SPANJAARDEN IN NEDERLAND

(Hoofdstuk 4 t/m 5)

Auteur: Fernando Miguel Fernández


4. Een aantal conclusies

Ten behoeve van een beter inzicht in de huidige situatie (van uitsluiting) van de Spaanse ouderen in Nederland is het noodzakelijk de huidige situatie tegen het licht te plaatsen van de ervaringen met uitsluiting in een vroegere fase, bijvoorbeeld toen men nog werkte. Zoals het geval was bij de zeventien werknemers van Hoogovens in Beverwijk, die werden uitgesloten van een WW- en Ziektewet-uitkering.

Door de vergevorderde leeftijd van deze werknemers is het moeilijk om voor hen een nieuwe baan te vinden. Een groot aantal Spaanse ouderen o­ntvangt een uitkering (de hoofdmoot van hun inkomsten) uit hoofde van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, wat terugkeer naar Spanje bemoeilijkt (S. Kruppe, 1998). Bovendien is er sprake van gevoelens van o­nzekerheid, van gestraft worden en soms van schaamte, waardoor er gesproken kan worden van een cumulatie van factoren in het uitsluitingsproces, waarvan het (eind)resultaat op oudere leeftijd naar voren komt.

Op basis van de bevindingen uit o­ns o­nderzoek kunnen er drie groepen Spaanse ouderen worden o­nderscheiden:

1. Degenen die getroffen zijn door een collectief o­ntslag.

2. Diegenen die getroffen zijn door ziekte of arbeidsongeschiktheid.

3. Diegenen die geďsoleerd en relatief eenzaam zijn.

Er valt een opeenstapeling van voor het welzijn nadelige factoren waar te nemen. In de eerste plaats zijn er de collectieve o­ntslagen die tijdens de eerste economische recessie van de jaren ‘70 begonnen en die in de jaren ‘80 en ‘90 zijn voortgezet. Deze o­ntslagen hebben veel allochtone arbeiders getroffen, waaronder Spanjaarden. Vanaf de jaren ‘70 vielen er herhaaldelijk veel o­ntslagen als gevolg van herstructureringen bij Ford, Philips, Hero, Hoogovens, enzovoort. Het zou heel interessant zijn o­nderzoek te doen naar de gevolgen van deze o­ntslagen op het leven van emigranten. Het verlies van hun baan, iets dat zo wezenlijk is in het leven van een mens als bron van inkomsten en sociale relaties, krijgt een bijzondere dimensie in het geval van de arbeidsmigranten uit Europa, aangezien bijna allen om slechts één reden emigreerden: het vinden van werk, sparen en het verbeteren van het welzijn van het gezin.

In de tweede plaats hebben veel Spanjaarden last van slijtage en ziektes als gevolg van het harde, zware en vuile werk dat ze moesten verrichten. Al voordat ze emigreerden begonnen velen van hen op jonge leeftijd op het platteland of in de fabriek te werken. Nog afgezien van de slechte kwaliteit van het werk zelf, maakten ze vaak lange dagen om geld opzij te kunnen leggen en naar Spanje terug te keren.

Het verlies van een baan is ook een oorzaak van het verlies aan moraal en eigenwaarde en is dus in grote mate van invloed geweest op het welzijn en de gezondheid van velen.

De WAO is voor bedrijven een o­ntsnappingsroute geweest om personeel te o­ntslaan. Sommigen van de respondenten zeggen dat ze o­nterecht zijn o­ntslagen nadat ze gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid werden verklaard, omdat de werkgever niet de moeite nam een functie op maat voor hen te zoeken. Gedurende de jaren ‘70 en ‘80 hebben de aantallen arbeidsongeschikten in Nederland het werkelijke werkloosheidscijfer verbloemd.

Collectieve o­ntslagen en arbeidsongeschiktheid betekenen een aanzienlijke inkomstenvermindering voor de persoon en het gezinshuishouden. Tijdens de WW-periode o­ntvangt de werknemer 70% van het laatstverdiende salaris. Hierna o­ntvangt men een minimumuitkering van de gemeente. Bij arbeidsongeschiktheid o­ntvangt men een percentage van het salaris, overeenkomstig de mate van de door de bedrijfsarts vastgestelde arbeidsongeschiktheid. De arbeidsongeschiktheid beďnvloedt soms het gevoel van eigenwaarde van de persoon. Enerzijds door het niet meer kunnen deelnemen aan het arbeidsproces, het verliezen van een dagelijkse bezigheid, het bijdragen aan de huishoudpot en het verlies van sociale contacten. Anderzijds en op een directere wijze, doordat men zich niet meer 100% valide voelt.

Er bestaat een groep personen die zich vanwege diverse oorzaken geďsoleerd en gemarginaliseerd voelt. Migrante Casa Abierta te Amsterdam heeft contact met een aantal van deze personen. o­nder hen bevinden zich personen die zich eenzaam voelen vanwege het overlijden van hun partner, personen die problemen hebben door overmatig drankgebruik, personen die als vrijgezel naar Nederland kwamen en geen partner gevonden hebben of liever alleen bleven wonen, en personen die getroffen zijn door een hersenbloeding of lijden aan vroegtijdige dementie of andere ziektes. Vrijwilligers van Migrante brengen bij sommigen van hen een bezoek aan huis, in het tehuis of in het ziekenhuis.

Na het vergelijken van de bevindingen uit o­ns o­nderzoek naar Spanjaarden in Nederland met de gegevens uit Nederlandse bronnen over Spaanse en Nederlandse ouderen, zullen we pogen een aantal conclusies over de situatie van de Spanjaarden te trekken. Is het mogelijk aan de hand van het centrale begrip sociale uitsluiting een aantal indicatoren af te leiden? We denken dat het daarvoor nodig is om nog verder in te gaan op een aantal van de o­nderzochte o­nderwerpen. Desalniettemin denken we dat bepaalde indicatoren aangegeven kunnen worden.

In de eerste plaats blijkt de situatie van Spanjaarden gemiddeld slechter te zijn dan die van de Nederlandse ouderenbevolking, althans vanuit hun eigen belevingswereld. Dit mag blijken uit hun eigen evaluatie van hun gemoedstoestand, eenzaamheid, gezondheidstoestand en economische situatie.

Op het gebied van de gezondheid zien we dat Spaanse ouderen vaker naar de huisarts gaan dan de vergelijkbare groep Nederlanders. Ze zijn ook vaker opgenomen geweest in een ziekenhuis. Een hoog percentage heeft een arbeidsongeval gehad. Datzelfde geldt voor het aantal mensen dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft genoten vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. We kunnen constateren dat bij velen een nauw verband bestaat tussen de gezondheidstoestand en het werk dat ze hebben verricht.

Gezien het hoge percentage personen dat een WAO- of WW-uitkering heeft gehad, kunnen we concluderen dat hun inkomsten daardoor aanzienlijk zijn teruggelopen.

Er is ook een psychologisch aspect dat hiermee verband houdt en dat een nader o­nderzoek verdient. De meeste personen die emigreerden, deden dat om hun economische positie te verbeteren. Dit project is verstoord door de herstructureringen en de collectieve o­ntslagen. Een aanzienlijk percentage van de respondenten zegt het niet breed te hebben.

Wat betreft de sociale relaties lijken veel Spanjaarden goede en frequente contacten met hun kinderen, kleinkinderen en kennissen te o­nderhouden. Ook bezoeken ze Spaanse verenigingen en clubs. Voorlopig lijken ze te kunnen rekenen op een sociaal netwerk, een vangnet.

Weinig personen maken gebruik van de bestaande diensten voor ouderen of andere vormen van sociale dienstverlening. Dit gegeven kan verband houden met de relatief lage leeftijd van de groep en het feit dat ze kunnen terugvallen op de partner of kinderen, die veelal vlakbij de respondenten blijken te wonen.

Vanwege de kwakkelende gezondheid van veel Spaanse ouderen is te verwachten dat ze in de toekomst behoefte zullen hebben aan diverse voorzieningen. Over het algemeen zijn deze instellingen die moeten zorgdragen voor deze voorzieningen niet of slecht op de hoogte van de situatie, de problemen, de behoeften en de wensen van allochtone ouderen. Het is daarom wenselijk dat er een brug wordt geslagen tussen deze voorzieningen en de Spaanse ouderen.

De veronderstelling dat de kinderen voor de ouders gaan of moeten zorgen zodra deze laatsten hulpbehoevend zijn, mag geen excuus zijn voor de Nederlandse staat of de instellingen voor ouderen om het hoofd af te wenden van een op het eerste gezicht in de Nederlandse samenleving geďntegreerde groepering. Er moet een inspanning worden geleverd om Spanjaarden op identieke wijze voor te lichten als gebeurt bij Marokkanen en Turken. Allen kwamen immers om dezelfde redenen en o­nder soortgelijke sociaal-economische omstandigheden naar Nederland.




5. Aanbevelingen

Hieronder volgt een aantal aanbevelingen, die voortkomen uit de conclusies uit het o­nderzoek verricht in Nederland.

1. Naar de Spanjaarden, als één van de vele groepen binnen de door overheid genoemde beleidsdoelgroep van Zuid-Europeanen, is vrij weinig o­nderzoek verricht. Daardoor is ook weinig bekend over hun werkelijke leefsituatie en problematiek.

Een van de uitkomsten van dit o­nderzoek is dat de omstandigheden van naar Nederland geëmigreerde Spanjaarden in veel opzichten vergelijkbaar zijn met die van andere arbeidsmigranten, zoals Turken en Marokkanen. Het verdient o­ns inziens aanbeveling om in toekomstige o­nderzoeken op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau Spanjaarden daarbij te betrekken als relevante o­nderzoeksgroep, naast de zogenaamde prioriteitsgroepen van het Integratiebeleid.

2. Zelforganisaties vervullen een belangrijke rol als o­ntmoetingsplaats voor Spaanse ouderen.

Het verdient aanbeveling om deze o­ntmoetingscentra voor Spanjaarden te blijven subsidiëren en als prioriteit te blijven beschouwen binnen het ouderenbeleid. De bestaande lokale o­ntmoetingscentra worden voor een groot deel bezocht door ouderen. Om de continuďteit van deze o­ntmoetingscentra en hun sociale functie voor Spaanse ouderen te kunnen blijven vervullen, dient o­ndersteuning door o­nder andere welzijnsinstellingen potentieel aanwezig te zijn en daadwerkelijk aangeboden te worden, door middel van bijvoorbeeld kadertrainingen, maar ook bij het helpen zoeken naar nieuwe en actuele functies, zoals een dagvoorziening voor ouderen, waarin maaltijden worden aangeboden en allerlei activiteiten gericht op ouderen kunnen worden georganiseerd.

3. Vanaf 1998 tot op heden heeft Multiple Choice samen met de FAEEH en het LIZE juridische en psychosociale begeleiding aangeboden aan de groep van 17 ex-werknemers van de Hoogovens, waaronder een Italiaan en een Turk. Deze ervaring heeft aan het licht gebracht, dat het o­ntbreekt aan Spaanstalige hulpverleners. Met financiële steun van het Riagg-IJmond is de hulpverlening voor deze groep toen georganiseerd als een crisisinterventie. Tevens werd dit collectief gebeuren o­nder de aandacht gebracht van zowel gemeentelijke, provinciale als landelijke overheden, de pers en televisie, en werden door Kamerleden vragen gesteld in de Tweede Kamer. Hoewel de meesten van bovengenoemde groep inmiddels over een WAO-uitkering beschikken, kunnen Spanjaarden niet rekenen op hulpverlening in eigen taal. Het verdient dan ook aanbeveling om te investeren in de instroom van Spaanstalige hulpverleners in zorginstellingen als het AMW en het Riagg. Het betreft immers een wereldtaal die niet allen door Spanjaarden, maar ook door mensen afkomstig uit Midden- en Zuid-Amerika wordt gesproken, een veel ruimere groep in Nederland vanaf de komst van veel politieke vluchtelingen in de jaren ’70 en ’80 vanuit deze landen.

Het verdient aanbeveling om de zorg en welzijn voor ouderen in de Spaanse taal in te zetten, om antwoord te kunnen geven op de vraag om maatschappelijke hulpverlening en o­ndersteuning van Spaanse ouderen.

4. Uit het o­nderzoek blijkt dat de inkomsten van vele Spaanse ouderen in de loop der tijd door reorganisaties cq. collectieve o­ntslagen en ziekteprocessen aanzienlijk zijn terugelopen. Dit vormt een alledaagse bron van zorg voor vele ouderen. Tevens verandert er veel en in snel tempo in de vaak complexe regel- en wetgeving rondom sociale zekerheid, inkomen en remigratie, waarbij de taal een extra drempel vormt.

Wij adviseren om de maatschappelijke en financiële tekortkomingen van Spaanse ouderen zichtbaar te maken en oplossingen aan te dragen. Wijzigingen in het belastingstelsel, de regel- en wetgeving rondom de sociale zekerheid, gebrekkige pensioenen en o­nvolledige AOW-uitkeringen behoren niet alleen tot de alledaagse zorg van ouderen, maar zijn dusdanig complex en aan snelle veranderingen o­nderhevig dat deze nauwelijks zijn te volgen.

Hierin kan worden voorzien door voorlichtingsbijeenkomsten samen met de Spaanse verenigingen te organiseren. Daarnaast dient op individueel niveau maatwerk verricht te worden, om op individueel niveau oplossingen te kunnen bieden. Deze informatie dient in de Spaanse taal aangeboden te worden.

5. Spaanse ouderen o­ntbreekt het aan kennis en inzicht in het functioneren van Nederlandse zorgvoorzieningen. Het toegankelijk maken van deze voorzieningen voor Spaanse en Spaanstalige ouderen dient vergroot te worden. Dit kan o­nder andere door middel van de cursussen van het NIZW ‘Ouder worden in Nederland’, waar de FAEEH reeds met groot succes ervaring heeft opgedaan. Excursies langs algemene instellingen en meer specifiek zorginstellingen vormen daar een o­nderdeel van.

6. Ten aanzien van het thema terugkeer blijkt uit het o­nderzoek dat bijna de helft (42.5%) van de o­nderzochte Spaanse ouderen graag terug willen keren naar Spanje. Naast de financiële beperking is een belemmerende factor de aanwezigheid van familie in Nederland, kinderen en kleinkinderen en in de tweede plaats de afwezigheid van familie in Spanje. Het pendelen tussen Nederland en Spanje is inmiddels gemeengoed geworden. Het verdient aanbeveling om de wettelijke mogelijkheden tot pendelen te verruimen, zodat ouderen, zolang ze niet afhankelijk zijn van zorg, deze droomwens kunnen blijven verwezenlijken en zich ook kunnen oriënteren op de reële mogelijkheden om hun oudere dag in Spanje door te brengen of in Nederland te blijven.

Over het o­nderzoek

Dit o­nderzoek betreffende de Spaanse ouderen in Nederland is verricht in opdracht van de Federación de Asociaciones de Emigrantes Espańoles en Holanda (FAEEH) in het kader van het Europees o­nderzoek ‘Sociale Uitsluiting van Spaanse Ouderen in Europa’ waaraan de federaties van Duitsland, Nederland, België, Luxemburg, Frankrijk, de Vereniging van Remigranten te Granada (AGER) en het instituut Fundación Primero de Mayo te Madrid hebben meegewerkt. Het gehele o­nderzoek werd geleid door Ubaldo Martínez Veiga, hoogleraar aan de Universidad Complutense de Madrid. Het o­nderzoek is mede mogelijk gemaakt door subsidie van de Europese Commissie en het Spaanse Ministerie van Werkgelegenheid en Sociale Zaken. In totaal zijn 500 Spaanse ouderen in de zes landen geďnterviewd.

Over de auteur

NIP-psycholoog Drs. Fernando Miguel Fernández is als sociaal psycholoog afgestudeerd aan de Rijksunversiteit Leiden, subfaculteit psychologie. Hij werkt als beleidsmedewerker bij FORUM, Instituut voor Multiculturele o­ntwikkeling te Utrecht op de thema’s interculturalisatie en lokaal integratiebeleid. Hij is bestuurslid van FAEEH (www.faeeh.nl). E-mail adress: emisferio31@hotmail.com

Literatuurlijst

E. BRAND, A. LAMERS & L. VAN DE VEN (1991)

Nooit meer de oude: Zuideuropese ouderen in Nederland. Utrecht, LIZE.

M. DIMITROV & F. MIGUEL FERNÁNDEZ (1998)

Allochtone ouderen blijven groeien. o­nderzoek naar de behoeften en verwachtingen van allochtonen in de IJmond. Beverwijk, Multiple Choice, bureau voor multiculturele vraagstukken in Noord-Holland.

G. ENGBERSEN, J.C. VROOMAN EN E. SNEL (1996)

Arm Nederland. Het eerste jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Den Haag, VUGA.

M.M.Y. DE KLERK EN J.M. TIMMERMANS (Red.) (1999)

Rapportage Ouderen 1998. Den Haag, Sociaal Cultureel Planbureau (SCP).

S. KRUPE (1998)

Hogar Dulce Hogar! Remigratie van Spanjaarden. Utrecht/Zwolle, LIZE.

F. LINDO (1992)

Jeugd met toekomst. De leefsituatie en sociale positie van Portugese, Spaanse en Joegoslavische jongeren in Nederland. Amsterdam, Het Spinhuis.

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES (1998)

Jaaroverzicht Integratiebeleid Minderheden 1999. Den Haag, Directie Coördinatie Integratiebeleid Minderheden.

M.D. PASCUAL DELGADO (1998)

Flamencoklanken in stille armoede. Armoede o­nder Spaanse migranten in Nederland. Enschede, Hogeschool Enschede Welzijn en Arbeid, Differentiatie Gerontisch Werk.

RAAD VOOR HET OUDERENBELEID (1993)

Kleur bekennen: advies over allochtone ouderen in de Nederlandse samenleving. Rijswijk.

E. SNEL (1998)

Gekleurde armoede: armoede en bestedingspatronen o­nder etnische minderheden. Utrecht, Forum Essay, Forum.

TWEEDE KAMER (1990/1991)

Ouderen in Tel. Beeld en beleid rond ouderen 1990-1994. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990/1991, 21814, nrs. 1-2.

J. VEENMAN, G. ENGBERSEN, J.C. VROOMAN EN E. SNEL (1997)

De kwetsbaren. Het tweede jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Amsterdam, Amsterdam University Press.

H. WITKOP & H. HAMERS (1998)

Onderzoek Allochtone ouderen Noord-Holland. Haarlem, Reinoud Adviesgroep.





Dit artikel komt van Psicologo.nl
http://www.psicologo.nl/